Over de grens

KLINGSPOOR ligt vlakbij de landsgrens tussen België en Nederland. De huidige grens gaat terug op de posities van de strijdende partijen op het einde van de Tachtigjarige Oorlog in 1648. Pas op het einde van deze oorlog kon Frederik Hendrik van Oranje de stad Hulst voor de Hollanders heroveren. Zo kwam de grens tussen de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden en de Spaanse Nederlanden pal boven De Klinge te liggen.

 

De katholieke Hulstenaars moesten voortaan naar De Klinge om hun geloof te belijden. Ruim tweehonderd gelovigen reisden elke zondag via de Clingse bossen de grens over om de mis bij te wonen. Ten noorden van De Klinge en vlak onder de stad Hulst ontwikkelde er zich in de Clingepolder een gehucht dat uitgroeide tot een typisch langgerekt polderdorp. Dit polderdorp Clinge zou uiteindelijk met zijn zuidelijke punt aansluiten bij De Klinge zodat het lijkt alsof deze twee kernen samen een dorp vormen. Clinge en De Klinge waren echter van meet af aan door een landsgrens van elkaar gescheiden. Beide dorpsgemeenschappen waren wel nauw met elkaar verweven door gemeenschappelijk onderwijs, een kerkelijke eenheid, een gezamenlijke jaarmarkt en nauwe handelscontacten.

 

De smokkelhandel tierde welig in De Klinge en omgeving. Deze illegale grenshandel verliep in beide richtingen. Doorheen de eeuwen werden dieren, linnen, steenkool, boter, kaas en vele andere producten naar Nederland of België gesmokkeld. Tijdens de Eerste Wereldoorlog werd de grens tussen het bezette België en het neutrale Nederland afgeschermd door een elektrische draad. Inventieve smokkelaars vonden echter manieren om deze Dodendraad te overwinnen.

 

Kleinschalige smokkelaars konden op de sympathie van de grensbewoners rekenen. Iedereen verdiende graag wat bij en de samenhorigheid tussen de bevolking was groot. Af en toe knepen ook de douaniers een oogje dicht. Zo vertellen oudere smokkelaars nog steeds verhalen over vrouwen met pakjes boter onder de kleren die door de douaniers bij de kachel werden gezet tot de boter op de vloer druppelde.

 

Na de Tweede Wereldoorlog werd het eeuwige kat- en muisspel tussen de douaniers en de smokkelaars echter grimmiger. Botersmokkel werd een kapitaalkrachtige onderneming en de gepantserde wagens, kraaienpoten en vuurwapens deden hun intrede. Deze gangsterpraktijken zorgden meer dan eens voor onaangename situaties in de grensstreek. Gelukkig verdween de smokkelgrens door de oprichting van de Benelux in 1957.