Dodendraad

Na de val van Antwerpen op 10 oktober 1914 komt het Waasland snel onder Duitse bezetting. De grens met het neutrale Nederland wordt afgezet met Duitse wachtposten. Deze soldaten kunnen niet voorkomen dat de grens vaak wordt overschreden door smokkelaars. De voedselprijzen in Nederland liggen veel lager en stoutmoedige smokkelaars kunnen de producten met een grote winst verkopen op de zwarte markt. Naast economische goederen worden er ook vrijwilligers voor het Belgische leger, soldatenbrieven en spionnen over de grens gesmokkeld.

In het voorjaar van 1915 proberen de Duitsers de smokkel een halt toe te roepen door de aanleg van de dodendraad. Een elektrische draad onder hoogspanning moet smokkelaars afschrikken. De hoogspanning op de Dodendraad zorgt ervoor dat mensen bij het minste contact met de draad worden geëlektrocuteerd. De inwoners kennen in deze periode de gevaren van elektriciteit nog niet. Links en rechts van de elektrische versperring wordt een beschermingsdraad geplaatst in prikkeldraad of in kippengaas.

Inventieve smokkelaars vonden al snel tal van manieren om de draad te overwinnen: tonnen zonder bode, een houten raamsysteem, rubberen beschermkledij… Honderden waaghalzen langsheen heel de Belgisch-Nederlandse grens bekopen hun overtocht echter met hun leven waaronder minstens drie slachtoffers in De Klinge en Meerdonk.